Als de bubbels barsten

Paradijsvogelperspectieven vanuit de fatbike-bubbel.

ESSAY

Bijna twintig jaar geleden sprak ‘ons Max’ de Maximale woorden “De Nederlander bestaat niet”. Wilders, die inmiddels te midden van het gehele politieke spectrum Milder is,[1] greep deze vier koninklijke woorden als royale kans aan voor zijn extreemrechtse propaganda. De Koningin zelf, toen nog prinses, poogde woorden te geven aan de gigantische diversiteit en verscheidenheid aan mensen die in Nederland wonen. Een beetje zoals Fluitsma en Van Tijn zongen, in de meezinger ‘15 Miljoen Mensen’ uit de jaren nul. Inmiddels zijn we in de jaren twintig, en zijn we ‘op dat hele kleine stukje aarde’ de 18 miljoen gepasseerd. Samen doen we nog steeds een (verwoede) poging om samen te leven in onze Nederlandse samenleving.

Samenleven in onze samenleving. De taal die we voor samenleven gebruiken verraadt hoe we dat als Nederlanders pogen te doen, dat samenleven. Samenleven gaat kennelijk over het samen doen, dat leven. Waar het Nederlandse woord samenleven de nadruk legt op samen en gaat over iets doen met elkaar, hangt rondom het Engelse coexist meer de sfeer van het tegelijk naast elkaar leven. Blijkbaar willen we het in het Nederland nog altijd samendoen, anders hadden we het Anglicisme co-existeren wel actief in gebruik genomen. Gewoon voor de vibe die dat creëert.

Toch zijn we in Nederland veel beter in laten leven dan samenleven.

Wat willen we dan samendoen? Oordelen over de buurman. Bitterballen eten (maar niet de vegetarische variant die precies zo smaakt als de echte). Zeiken over het weer en de treinen. Dijken bouwen. Sinterklaas vieren. Directe oprechtheid. Duimen voor een Elfstedentocht. Hockey kijken. Mierenneukerige stadsplanning. Slootwaterkoffie drinken. Een leven lang leren. Genieten als werkwoord. Fietsen naar school. Hyperefficiëntie als hoogst haalbare.

Die opsomming springt nog bijna romantisch en een tikkie nationalistisch in het oog. Eerlijke reflectie gebiedt: de individueel geaarde Nederlander is veel beter in laten leven dan in samenleven. Samen laten we elkaar leven. Samenlaten.

Ik leef mijn leven, zoals ik dat wil,

Ik bemoei me toch ook niet met een ander

Bemoeizucht wordt er van kleins af aan uit geramd. Opvoeding is een pure privéaangelegenheid, waar je beste vrienden niets van mogen vinden, tenzij er Veilig Thuis-achtige situaties spelen. In Nederland zijn we goed in laten leven. In niet bemoeien. We hebben er veel woorden voor. Verdragen. Tolereren. Gedogen.

Het zijn allemaal werkwoorden; blijkbaar is de tendens dat wij Nederlanders ervoor moeten werken om met elkaar te leven. Het hardst moeten we werken om de keuzes van de ander te verdragen. Dat we hard werken om mensen te steunen die potentieel jokken over hun onvermogen om zelf te werken vinden we in Nederland bijna onverdraagbaar. Gemiddeld hard werken we om de ander te tolereren. Tolereren is verdragen van de ander van wat je bij jezelf zou afkeuren. Het is oprekken van je eigen morele ondergrens bij de ander. “Zij mogen homo zijn, lekker doen, ik zou het voor mezelf en mijn kinderen niet willen.” Gedogen is luieren. Het gaat over een oogje toeknijpen. “Ik weet dat de buurman een paar wietplanten heeft, maar ach, hij is aardig toch.”

Het gemiddeld hard werken om samen te leven, het tolereren, klinkt efficiënt en dus hyper Nederlands. Tolerantie is niet voor niets de lijm, het bindmiddel en de cohesie tussen al de verschrikkelijk verschillende mensen met duizend verschillende meningen die proberen te polderen. Tolereren haalt de ambtenaar in de Nederlandse samenlevingspsychologie naar boven. Tolereren kun je leren.

Nederlanders zijn wereldkampioen in tolerantie van de absurditeit van allesomvattende diversiteit.

In de omarming van extremen is Nederland sowieso een wereldster.[2] De Nederlander werpt diens internationale maten en kennissen steevast de tolerantiekampioenschappen voor hun neus (die inderdaad, je raadt het goed, die door de Nederlander zelf in het leven zijn geroepen). Het homohuwelijk werd in 2001 in Nederland als eerste land ter wereld gelegaliseerd, het reguleren van prostitutie op de wallen en het gedogen van drugs – ja, ook buiten Amsterdam lieve toeristen. Dit zijn de extreme - en daardoor befaamde - voorbeelden. Niet gek dat de Nederlander tolerantie aangrijpt bij wijze van een soort cultuuranker; het is zowat de enige overgebleven vorm van nationale trots. Toch moet de Nederlander voorzichtiger zijn met het uitroepen van tolerantiekampioenschappen. In de acceptatie van de statistisch genormeerde standaardafwijking, scoort Nederland uitermate slecht. Wat betreft de gelijke rechten tussen mannen en vrouwen scoort Oranje slechter dan Trumps Amerika.[3]

De schizofrenie tussen absurdistische tolerantie van extremen en de ongemakkelijke afwijzing van de globale standaarden, heeft miraculeus geleid tot het eenzijdige narratief van een zeer progressieve samenleving in een cultuur vol verdraagzaamheid. De dertigers van nu leven in een koortsdroom dat Nederland een vooruitstrevend land is dat op alle mondiale hitlijsten – geluk onder kinderen, queer rechten en man-vrouwverhoudingen – in de top tien staat.

Heel langzaam zien Nederlanders zich genoodzaakt om hun nationaal narratief te herzien – de dertigers voorop. Krantenkoppen als “De acceptatie van X en Y gaat achteruit” wekten in de eerste plaats vooral ongeloof en wantrouwen op. Pas toen journalistieke instituten als de Correspondent en Follow the Money met hun onderbouwde onderzoek sinds een half decennium steeds vaker de kloof tussen de veronderstelde progressieve status en de werkelijke situatie ontmaskerden, tolereerde menig Millennial de realistische staat van de ondermaatse acceptatiegraad van de Nederlander.

Accepteren of tolereren: het zijn twee kanten van dezelfde medaille in het Nederlandse spel van leven en laten leven. De klassieke Nederlander – die waarschijnlijk niet eens bestaat – is bang om bij de buren te gaan eten. Lange Frans en Baas B zingen erover, net als Isabel Usher trouwens. Sommige teksten zijn alweer een paar decennia jaar oud, en nog steeds raken ze aan de kern van hoe de Nederlander probeert samen te leven met, jawel, de Nederlander.

Zolang we extremen proberen te tolereren, leren we het basale minimum niet tolereren.

De Nederlandse tolerantie-etymologie (nee niet mythologie) in één alinea. Tolerantie is een typisch Hollands cultuurwoord dat in diepere lagen geworteld is: een cultuurverankering. Dat anker werkt als wortels naar beneden en opzij: het accepteren van de klasse onder zich, en het respecteren als de gelijken van de klassen naast zich. Tolereren is nog altijd dé kern van de Nederlandse definitie van samenleven. Ook de mensen die zijn opgehouden zich onderdeel te voelen van de Nederlandse samenleving, leven nog volgens de definitie van tolerantie. Ze tolereren hun buren, ontkomen niet aan de inname van een deel van hun geld door de belastingdienst en maken gebruik van hun demonstratierecht.

De geschiedenis leert dat de Nederlander gelijkgestemden opzoekt en zich volledig afsluit voor de rest van zijn landgenoten: we leven in een klassenmaatschappij.[4] Dat ging nog verder tijdens de verzuiling, waarbij de samenleving niet alleen verticaal en socio-economisch, maar ook horizontaal op basis van geloofsovertuiging en privéleven - uit eigen beweging van de burgers - was verdeeld. Alle afzonderlijke samenlevingsgroepen, de zuilen, hadden een eigen krant, televisieomroep, school, sportclub en café. De artificiële verdeling van de samenleving in separate groepen past bij de alom gevierde vrijheid van vereniging en vergadering als mensenrecht in Nederland, maar ook bij het spanningsveld tussen het tolereren van andersdenkenden tegenover het uitblijven van acceptatie.

De verzuiling lijkt best ver weg. Líjkt best ver weg. Er steekt een modern type zuil op. Of eigenlijk twee typen. De klassieke zuil had eigen kranten, televisieomroepen scholen en cafés. Het moderne equivalent van de klassieke zuil is offline en heet de bubbel. Een bubbel is een sociale (of soms fysieke) leefomgeving die zo homogeen is samengesteld — qua opleiding, inkomen, politieke voorkeur, cultuur en/of woonplaats — dat wat daarbinnen als vanzelfsprekend lijkt, in werkelijkheid maar voor een select deel van de bevolking geldt. Bubbelen is zeer laagdrempelig; mensen bubbelen al met elkaar op basis van onbenullige dingen, zoals een favoriet drankje (hands up voor de matcha-tiktok-rij-bubbel).

Daarbovenop heeft nu een online zuil haar intrede gedaan: het algoritme. Misschien dat we tussen de verzuiling en algoritmische zeepbelbubbels nog een tijdje als een mierenhoop hebben samengeleefd.

De zuil en de mierenhoop zijn definitief verleden tijd; de bubbel is in de voornaamste samenlevingsvorm van de Nederlander geworden. Bubbels komen in allerlei soorten en maten. Ik presenteer een kleine greep uit de bellenblaas: de voetbalbubbel, vinexbubbel, horecabubbel, uitkeringsbubbel, biblebelt-bubbel, extreemrechtse bubbel, boulderbubbel, oud-geld bubbel, studentenbubbel (gaat vaak gepaard met schurft of extreme brakheid) wandelvakantiebubbel (de echte kenner spreekt van hiken), box-3-bubbel, randstadbubbel, hockeybubbel, gele rups bubbel, milieuactivistenbubbel en natuurlijk de fatbike-bubbel. Sommige bubbels zijn zo overduidelijk dat je het woord bubbel zelfs kan weglaten: havermelkelite, motorcrossbende, runclub.

Eén bubbel kan op dit punt de champagne koud zetten, omdat zij cum laude de bubbelwedstrijd heeft gewonnen: de universitaire bubbel. Universitair geschoolden leven als meest gesegregeerde groep van Nederland. Het maakt niet uit tegen welk andere type groep je universitair geschoolden afzet – of dat nu op basis van geloofsovertuiging, inkomen, geaardheid, hobby’s, ras of inkomen is. Zij winnen de afzonderingswedstrijd. Geen enkele andere groep leeft zo afgezonderd van de rest van de maatschappij als de mensen die vanwege hun opleidingsniveau het vaakst worden gekozen als volksvertegenwoordiger, en zo direct invloed hebben op de levens in al die andere bubbels.

Het doet me denken aan de fysieke uitbeelding met Playmobile poppetjes van de rijkste mensen in het programma De Kloof van Sander Schimmelpenninck (dat overigens onlangs een comeback maakte met een tweede seizoen): de rijkste poppetjes kijken alleen maar naar elkaar, respectievelijk naar de mensen die nog rijker zijn. Zo zijn ze zich er totaal niet bewust van dat er heel veel mensen armer zijn dan zij. Ze lijken wel blind voor alles wat zich buiten de bubbel afspeelt, alsof ze dat niet kunnen zien. Niet alleen voor wie en wat ze niet zien, maar ook voor niet zien dat ze dingen niet zien. Juist zij wetenschappelijk opgeleiden die hebben geleerd kritisch te kijken en te denken, lukt het niet door een transparante zeepbel te kijken – laat staan om die gewoon door te prikken.

Die verblinding is overigens niet exclusief voor de opgeleide elite. De reflection blindness is universeel voor het bubbellandschap. De reflectie van de zeepbellen maakt blind. Elke bubbel, ook de fatbike-bubbel – nee juist de fatbike-bubbel – fungeert als een soort echo chamber waardoor binnen de bubbel men vooral bevestiging van de eigen opvattingen ziet. De fatbike-helden krijgen keer op keer bevestigd dat crossen door de stad met vijventwintig kilometer per uur de normaalste zaak van de wereld is: op hun sociale media, in hun vriendenkring en op de weg. Het is een vorm van confirmation bias.

De fatbike-bubbel bestaat naast de biblebelt-bubbel, die weer naast de yogabubbel bestaat. Zo ontstaat er een soort bellenblaas. De bubbels zien elkaar wel door de transparante eigenschappen maar mengen niet met elkaar, want de heersende geloofsovertuiging is dat menging de bubbel zal doen barsten. Wat is de angst voor het barsten? Waarom is de algemene tendens niet dat de bubbels bij botsing zullen versmelten?

Iedereen is bang voor het barsten, niemand verlangt naar versmelten.

Versmelten kan in theorie leiden tot een grotere en vooral inclusievere en diversere bubbel. Ik vraag me af wat voor baby’s een mix van een fatbike-bubbel en wandelvakantiebubbel zou opleveren. Dat lijkt me een ultieme vorm van samendoen. Maar dat is vast alleen iets voor in films. Tot die tijd blijft iedereen binnen bubbelen.

Binnen de bubbel is het veilig om te bubbelen. Buiten de bubbel is gevaar. Zo zijn we opgevoed.

Buiten de bubbel zijn twee soorten rariteiten: vreemde bubbels en niemandsland.

De vreemde bubbels zijn als de buren bij wie we niet durven te gaan eten. De bubbel die het verst van onze wereld afstaat, zoals de sektarische bubbel met zionistische inslag, is eng. De bubbel die veel te dichtbij komt, zoals die freaking havermelkbubbel, moet koste wat het kost op afstand worden gehouden.

In het niemandsland tussen de bubbels bevinden zich twee typen mensen. De thuislozen en de paradijsvogels.[5] Het lijkt misschien onaantrekkelijk om je tussen bellen in de bellenblaas te begeven, tussen deze twee normafwijkende uitschieters. En toch: haast moeiteloos manoeuvreren zij zich tussen de onuitgesproken gedragslijnen van de bubbelbewoners door, zonder enige vorm van erkenning, aanzien of waardering. Zij moeten aldus over een set vaardigheden, een soort interbubullaire skills, beschikken. Die skillskunnen nog wel eens heel handig zijn voor als de bubbels barsten, bijvoorbeeld in een crisis. Wat kunnen wij van de interbubbulaire paradijsvogels en thuislozen leren?

Paradijsvogels fladderen tussen de gedragsrichtlijnen van de normgroepen door. De grote man in grotemensenluiers in het Vondelpark[6] of de stamgast die seksueel getinte gedichtjes op geeltjes voor vrouwen schrijft – ze lijken zo vrij. Ze hebben gekozen voor of zijn beland in een leefsituatie met onbegrensde gedragingsvrijheid (doorgaans binnen de grenzen van de wet). Niemand kan hen aanspreken op hun gedrag. Ze betalen met een hoge prijs: nergens bij horen. Niemand kan hen overtuigen om tot hun bubbel toe te treden. De uitspraak “paradijsvogels geven kleur aan een stad” van Halsema citeer ik graag.[7] Ze laten de bubbelaars doorgaans choqueren of glimlachen.

De kunst van ‘het naast elkaar bestaan’ kunnen we van paradijsvogels leren. Zij leven de absurdistische diversiteit. Zij zijn de levende gedaante van allesomvattende variëteit. Zij dagen de omstander uit tot ultieme tolerantie.

Wat mij overigens opvalt: de mensen in het niemandsland laten de bubbels intact. Zij hebben geen intenties noch motieven om de bubbels open te breken. Weliswaar dagen de thuislozen het hele wit-blauwe spectrum uit, maar los van politie en artsen (en willekeurige voorbijgangers) laten zij de roedels in de maatschappij met rust. Toch is de – irreële – angst van mensen in de bubbel dat die glazen kwetsbare schild splasht. Om die reden zijn zij bang voor indringers en voor uitdringers. Want als de bubbel breekt, dan … Tja, wat dan?

Dan leven de paradijsvogels, thuislozen en bubbelaars tussen, en dus met elkaar. Dat klinkt me ook weer niet angstaanjagend in de oren. Maar goed, ik heb me ook nooit een rasechte bubbelaar gevoeld. Het is gigantisch naïef om te denken dat speciaal ik, met universitaire diploma’s, die bubbel der bubbels kan ontwijken. Automatische dweilstofzuigers, havercappu’s en runclubs zijn ‘zomaar’ mijn leven binnengegllipt. Zomaar. Zonder moeite. Zonder aankondiging. Zonder aanleiding. Met de bubbelzwaartekracht dus.

Mijn voorzichtige conclusie luidt: na jarenlang stil verzet heeft het instituut van de universitaire elite ook mij in haar macht gekregen.

Mijn vervolgonderzoeksvraag luidt: wanneer was ik voor het laatst écht tussen de bellen te vinden?

Mijn hypothese luidt: er bestaat er in onze georganiseerde samenleving een plek waar paradijsvogels, thuislozen en bubbelaars samenkomen – dat is een gradatie minder dan samenleven.

De premisses van zo’n denkbeeldige plek zijn induceerbaar. De bubbelaars doen er alles aan om in hun bubbel te blijven, en zullen eruit moeten worden getrokken. De plek moet daarom hoogstwaarschijnlijk een element van dwang bevatten. Een behapbare groepsgrootte maakt mengen in elke groep eenvoudiger. Een vooropgezette duidelijke dagstructuur werkt als katalysator in de overbrugging van verschillen tussen mensen. Al gauw blijven slechts drie plekken over: sekte, bajes of de psychiatrische inrichting.

Volgens mij zijn dit de enige plekken waar de bubbels zijn lekgeprikt, zodat de bubbelaars zich (nood)gedwongen tussen de paradijsvogels en thuislozen moeten bewegen.

De MPU-gesloten heet in de volksmond ook wel de ‘Gesloten Psychiatrische Spoedafdeling’ of de ‘Gesloten Psychiatrische Inrichting’. Dat doet direct denken aan zo’n psychiatrische afdeling van de jaren zestig uit de films. Het beeld van een gedateerd gekkenhuis staat op mijn netvlies gebrand: lobotomie, gekrijs en geschreeuw, hypnoses, platspuiten en continu masturberende patiënten.

Uiteraard kom je daar in het echte leven nooit - dat is alleen voor gekken: en niet voor de nuchtere Nederlander, die ik vanaf nu de ‘NuNee’ noem. En als je er al zou komen, dan is dat om je eenzame buurvrouw op te zoeken. Want niemand (die je écht kent,) zit daar natuurlijk; in een gevangenis met therapeuten als bewakers en verpleegkundigen als cheerleaders van je persoonlijke ontwikkeling.

Ik dacht altijd dat we een collectieve angst ervoeren voor dit soort plekken door het nog altijd heersende taboe op mentale gezondheid, psychisch lijden en de wijdverbreide angst voor de onvoorspelbaarheid van de menselijke geest. Inmiddels denk ik dat we vooral heel bang zijn om in één ruimte te zijn met mensen die uit totaal andere bubbels komen. Er is één overkoepelende bubbel aanwezig op de MPU: de psychische kwetsbaarheidsbubbel. Dat is geen populaire club. Daar wil niemand bij horen. Dat is logisch, want daar rust zoals gezegd een gigantisch taboe op. Afgezien van die bubbel is iedereen op de afdeling bubbelnaakt. En juist in die naaktheid start de verbinding tussen een Iranese hoogleraar en een Utrechtse basgitariste. Tussen een filosofie studente en een schilder. Tussen een fatbike-bezitter en een Porsche-eigenaar. De grenzen van de groeperingen vervagen; de bubbels zijn lek geprikt. Dat maakt de stap naar een andere ander kleiner dan anders. De vrijheid waarmee paradijsvogels fladderen tussen niemand en iedereen, is voelbaar op de afdelingen. Als kers op de taart draagt de collectieve overbrugging van divergente werelden bij aan individueel herstel van de ziekte.

In Nederland kunnen we de psychiatrische inrichting als voorbeeld nemen: de omarming van het absurde, maar vooral de kunst van de overbrugbare verschillen tussen mensen. Is de MPU dan hét Nederlandse toonbeeld van samenleven? Ja, maar. Ja, de MPU haalt met gemak het hoogste niveau van absurdistische acceptatie van universele diversiteit in Nederland. Maar, het gaat hier om een samenkomst, niet om samenleven. Dat komt in de eerste plaats doordat er elementen van dwang zijn die bepalen wie er daar aanwezig zijn. Opgesloten en onder toeziend oog kan men hoogstens in beperkte vrijheid bepalen hoe men wil leven. Zo is het meer een georkestreerde samenkomst dan een vrije samenleving.

In onze zogenaamde vrije samenleving worden we weliswaar niet opgesloten, maar we sluiten onszelf op in bubbels. We sluiten onszelf af van anderen die niet genoeg op ons lijken. Door de zeepbel kijken we naar ze, oordelen over ze, en tolereren ze. We vrezen ze, die buren naar wie we gluren.

Wat dat betreft dekt het Engelse coexist accurater de lading van wat we proberen te doen in onze bubbelsamenleving dan het woord samenleven. Laten we gaan voor co-existerende bubbels.

In onze co-existerende bubbels neigen we naar een commensalistische co-existentie: we hebben geen voordeel van elkaar, maar ook geen nadeel. Commensalisme is een biologische samenlevingsvorm die de bubbels verrassend goed beschrijft, omdat het meer gaat over naast elkaar bestaan dan met elkaar bestaan. Dat commensalisme klinkt treurig, maar voor liefhebbers van de symbiotische samenleving onder ons is er troost: we betalen nog altijd belasting samen.

We haten de belastingdienst en dat is unaniem.[8]


[1] Arjen Lubach, Zondag met Lubach 2017.

[2] Nederland onderscheidt zich overigens niet per se door tolerantie op zich, want een tolerantiemaatschappij ontstaat vaak uit pragmatische noodzaak, omdat er gewoonweg veel verschillende groepen mensen zijn. Het woord tolerantie betekent voor de Nederlander veel meer dan het begrip tolerance voor de gemiddelde Canadees, Engelsman of Australiër betekent.

[3] Lisa Loeb 2026, ‘Fopfeminisme’.

[4] Bob Scholte in Grote gesprekken 2026, Radio Boos.

[5] Strikt genomen zouden de thuislozen bij elkaar in een bubbel kunnen worden ingedeeld, maar nu bij uitstek zij door weer en wind in de buitenlucht, het Hollandse niemandsland verkeren, terwijl niemand – ook de medethuislozen – hen niet in hun bubbel verwelkomt, vind ik dit de meest waarheidsgetrouwe weergave van de werkelijkheid.

[6] Aaf Brandt Corstius & Lies Visschedijk in Aaf en Lies lossen het weer op.

[7] Femke Halsema in Grote gesprekken 2026, Radio Boos.

[8] Isabel Usher. Ik kom weer thuis.

Contact

Neem gerust contact op.

linkedin.nl/renskecaminada

renskecaminada@me.com

© 2025. All rights reserved.