Klein bedrag, pinnen mag
Over betaalcultuur en groene flappen.
COLUMNS
8/28/20263 min read
Vanuit de rommelkast achter de bar komt een envelopje met in sierlijke letters mijn naam erop mijn kant op. De eerste fooi-envelop voor mijn verdiensten als bediende. Ik trek, scheur en frommel voorzichtig de plakbanden van de driehoekjes van elkaar. Vrijwel direct vangt iets groens mijn aandacht. Het is geen loonstrook, en ook geen dollar. Het is een groene flap, een honderdje.
€100 vervat in één enkel briefje. Ik weet vrij zeker dat ik deze variant van de Euro nooit eerder heb gezien. Het lijkt wel speelgoedgeld. Ik vraag me af of ik er overal mee kan betalen. Na summier onderzoek bij ervaringsdeskundigen (lees: collega’s uit de horeca) concludeer ik dat je er in Utrecht juist haast nergens mee kunt betalen. Zij geven het graag uit in het buitenland; daar accepteren ze het groene biljet sowieso.
Hoezeer ik het collegiale advies ook waardeer, vind ik het zeer onpraktisch dat ik naar het buitenland moet om een wettig betaalmiddel – en dat is het volgens Google – uit te kunnen geven. De legitimiteit van het 100 eurobiljet is in de hele Europese Unie hetzelfde, lijkt me.
Toch trek ik in het Europese buitenland met hoge frequentie geld uit de betaalmuur, omdat ik bang ben op locatie niet te kunnen pinnen. In Nederland krijg ik juist de zenuwen van een briefje groter dan 50 (en van muntjes kleiner dan 10). Schijnbaar bestaat er zoiets als betaalcultuur – ingegeven door het feit dat acceptatie van specifieke betaalmiddelen bij winkeliers en bedrijven niet kan worden afgedwongen.
De Nederlandse betaalcultuur is eigenzinnig. Contant geld is al jarenlang bezig aan een terugmars. De verdwijning van de rode eurocenten uit de Nederlandse geldomloop ving aan nog voordat de euro goed en wel was ingevoerd in 2002. Ook campagnes als “klein bedrag, pinnen mag” en de rode kruizen bij de kassa door de paarse, gele en groene briefjes hebben een groot gedeelte van het contante geld verbannen.
Er is een Hollandse voorkeur voor gemiddelde vormen van contant geld te bespeuren. Rode centen uitwisselen past niet binnen de efficiëntiemaatstaf, ofzo. Stel je voor dat je 5 minuten langer in de kassarij moet staan, omdat de caissière iedereen combinaties van 1, 2 en 5 eurocent teruggeeft. Tel daar nog 3 minuten bij op, omdat iedereen ook muntjes uit de eigen portemonnee gaat pakken. Grootgeld heeft in Nederland überhaupt geen bestaansrecht. Daar heb ik geen specifieke ondertiteling bij. Voor brief- en muntgeld van extreme waardes is geen plek in de Nederlandse samenleving, maar ze worden wel gedoogd. De parallel met minderheidsgroepen mag je zelf maken.
De collectieve Hollandse discriminatie van contant geld is uniek binnen de Europese cashflow: Nederland is inmiddels het meest cashloze land van de eurozone. Terwijl in Nederland nog maar 19% van de betalingen wordt verricht in contanten, ligt dat aandeel in Mediterrane landen, maar ook in Duitsland en Oostenrijk boven de 50%.[1]
Waar is het Nederlandse fysieke geld? 19% van de transacties is moeilijk verwaarloosbaar te noemen. In het fooiencircuit, de privéschoonmaak, tiener oppasservices, prostitutie en drugshandel is contant geld het voornaamste betaalmiddel gebleven. Dan gaat het al gauw over “zwart geld”. Zwart geld is crimineel, vies en arm. De gemiddelde Nederlander wil liever niet bij de contant-geld-club horen.
Rutte deed een verwoede poging de contant-geld-club populairder te maken. De oproep vanuit de NAVO om voldoende contant geld thuis te hebben voor het geval dat, leek vooral gericht tot zijn eigen voormalige onderdanen: de contantloze Nederlanders. De rest van de EU – op Scandinavië na – hoeft hij niet aan te spreken. Een verwoede poging, want meer dan 61% van de huishoudens hoort na Ruttes werving nog steeds niet bij de contant-geld-club.
Door mijn fooi heb ik voldoende contant voor een noodpakket – Rutte zei 70 euro voor 72 uur per persoon (per noodsituatie) – klaarliggen. Ik besluit met het boven-noodpakkettelijke geld het geldelijke buitenland in eigen land op te zoeken. Als ik bij de Indiër bij mij om de hoek afreken met mijn honderdje, ervaar ik vervagende grenzen van de betaalcultuur in een multiculturele wijk. De kassière kijkt misschien een halve seconde extra naar het €100-biljet, en telt dan gewoon het wisselgeld. Ik ben opgelucht als ik de vertrouwde €20-biljetten in mijn portemonnee steek.
Voor mijn volgende fooi hoop ik op een briefje van €200. Die krijgen mijn collega’s soms, schijnt.
[1] Waar de cash-motivatie in Griekenland en Spanje wantrouwen is tegenover de banken en de staat, gebruiken Duitsers en Oostenrijkers contant geld om de privacy van het eigen uitgavenpatroon te beschermen.
